Februari 2023

Hallo en welkom bij de tweede aflevering van dit blog over gezondheid, natuur, cultuur en meer.
Mijn naam is Niek van Schie en ik vertel hierin iets over de zogenaamde blue zones en wat kritische noten over wetenschappelijk onderzoek. Dat ook wetenschappers krijgen wat ze vragen.

Blue zones

Plaatsen op de wereld waar mensen gemiddeld veel ouder worden (in goede gezondheid) noemt men wel eens Blue Zones of blauwe zones. Overigens niet te verwarren met de blauwe zone als in parkeerschijfzone. De klassieke voorbeelden van deze blue zones zijn Ikaria (Griekenland), Loma Linda (Californië), Sardinië (Italië), Okinawa (Japan) en Nicoya (Costa Rica). Dat valt natuurlijk op en dan wil iedereen er alles van weten. Want wie wil er nu niet gezond 100 worden? Op de website bleuzones.com staan veel tips en verhalen. Over het algemeen komen die neer op goede voeding, geen stres, goed slapen, veel bewegen en een gezonde omgeving. Waar doet ons dat toch aan denken? Woonde Dale Bredesen niet ergens in Californië? Maar goed, wat volgens mij ontbreekt in de genoemde factoren: een (sub)tropisch klimaat en de afwezigheid van industriën en intensief verkeer. Met de klimaatverandering komen we in Nederland al een aardige stap richting een subtropisch klimaat (we zitten hier al op +2 graden), nu nog die vervuilende (agro)industrie en dat verkeer aanpakken. En o ja, de Blue zones liggen allemaal op een eiland of vlak aan zee. Die komt er ook aan hoor.

Een aspect dat in de blauwe zone reisreclame ook veel wordt genoemd is het sociaal actief zijn. Lijkt me ook heel plausibel. Maar we zouden ook eens kunnen kijken naar factoren als gelijkheid, of beter: het ontbreken van ongelijkheid.

Ten slotte: Helaas voor de winterliefhebbers, het is wetenschappelijk bewezen dat koude winters structureel bijdragen aan een lagere levensverwachting en hogere kindersterfte. Dit staat dan weer los van het gezonde effect van de koude douche. Die laatste vind ik ook het fijnste in een warme zomer.


Je krijgt wat je vraagt

Het afgelopen jaar heb ik heel veel verslagen van wetenschappelijk onderzoek doorgelezen. Het werd bijna mijn zoveelste studie. Nu doe ik beroepshalve ook onderzoek. Dus onderzoeksopzet, methoden en verslaglegging zijn mij niet onbekend. Wat mij de laatste tijd is opgevallen zijn twee bijzonderheden. Ten eerste doet een onderzoeker onderzoek om vragen te beantwoorden. Maar bevindingen die een antwoord op andere vragen kunnen zijn, mogen geen conclusie zijn van het onderzoek. Ten tweede is de samenstelling van de onderzoekspopulatie soms van grote invloed op de conclusies.

Een voorbeeld van het eerste. In 2011 verscheen een artikel over een onderzoek naar de toepassing van huperzine A. Dat is een middel dat uit het plantje Huperzia serrata wordt gewonnen en mogelijk Alzheimer tegengaat. De vraagstelling was: werkt huperzine A in een dagelijkse dosis van 200 microgram? De onderzoeksopzet ging uit van drie onderzoeksgroepen: groep 1 kreeg het placebo, groep 2 kreeg dagelijks 200 microgram en groep 3 kreeg 400 microgram. Uit de resultaten bleek dat alleen bij 400 microgram een positief effect optrad. Eindconclusie: huperzine A werkt niet bij een dagelijkse dosis van 200 microgram. Dat het bij 400 microgram wel helpt was niet de oorspronkelijke vraag, dus kon ook niet de conclusie zijn. Modern wetenschappelijk onderzoek laat niets aan het toeval over. Van serendipiteit wil men niet veel weten.

Ondertussen is er veel meer onderzoek gedaan naar dit middel. Zelfs uitgebreid literatuuronderzoek naar al die verschillende onderzoeken. Maar welke farmaceut wil nu een middel gaan produceren, dat gewoon via internet te bestellen is? Dus komt het ook niet in een behandelprotocol. En dat is weer een verhaal over geld, aandelen, beleggers zoals onze pensioenfondsen.

Dan nog een voorbeeld van het tweede opvallende feit. Onderzoekspopulaties zijn soms lastig samen te stellen. Niet iedereen wil of kan meedoen met medisch onderzoek. De groep mensen die nut en noodzaak inzien wijkt al snel af van de gemiddelde bevolking. In een artikel in NRC werd een onderzoek aangehaald over bewegen en mediteren in relatie met gezond oud worden. Uit het NRC artikel:

Ze werden verdeeld over vier groepen die 18 maanden werden gevolgd. Eén groep volgde een intensief beweegprogramma met onder meer cardio-, kracht- en balansoefeningen, een andere mediteerde een uur per dag, deels onder begeleiding, de derde groep deed beide en de controlegroep kreeg alleen voorlichting over gezondheid. De deelnemers werden vier keer getest. Na zes maanden en aan het einde, na achttien maanden, was er geen duidelijk verschil in cognitief functioneren tussen de groepen.
Mijn conclusie zou zijn: voorlichting werkt net zo goed in deze geselecteerde gemiddeld hoog opgeleide deelnemersgroep. En alle bewijs ontbreekt van het tegendeel. Van bewegen en mediteren wordt niemand ziek of snel oud. Blijf dus altijd kritisch, ook over wat je hier leest.


Terug naar het blog.